En de meest overhypte technologie van 2014 is…

Bij Time Magazine zullen ze zich wel even achter de oren krabben. Het blad pakte een paar weken geleden groot uit met een special over The Internet of Things. Volgens Time zullen ‘smart’, aan wifi-gekoppelde alledaagse voorwerpen ons huis op zijn kop zetten. Bijvoorbeeld, via slimme thermostaten die ons begrijpen zullen we het nooit meer te warm of te koud hebben en zo vele euro’s besparen; als de wekker gaat weet het koffieapparaat dat-ie de bonen alvast moet malen; de sensoren van de koelkast voelen dat de melk bijna op is en plaatsen alvast een bestelling bij ah.nl. De tech-analisten van Gartner zijn niet overtuigd. In hun jaarlijkse hype-cycle staan het Dingenet (laten we het aub zo vertalen) helemaal bovenop de peak of inflated expactations, op de huid gezeten door zelfrijdende auto’s (jaja, twee weken geleden nog het coververhaal van VN, prima).

image

Wat betekent dit? Volgens Gartner zijn de verwachtingen van het Dingenet te hoog omdat een succesvolle implementatie van slimme wafelijzers nog mijlenver ver van ons vandaan ligt. De tech onderzoeks- en adviesfirma signaleert een gebrek aan standaardisatie. Ironisch genoeg zijn er te veel verschillende, ‘smart’ verbonden producten die niet slim genoeg zijn om zich met elkaar te verbinden.

Maar schrijf de technologie voorlopig nog niet af. Na de hype volgt volgens de Gartner-cycle de teleurstelling, totdat de berusting de innovatie weer op waarde schat en het publiek het ware potentieel erkent. Zo verging het bijvoorbeeld 3D-printing, in 2012 nog flink overhypt, maar nu als enterprise 3D-printing terug te vinden in de opwaartse slope of enlightment. Helemaal crescendo gaat het met spraakherkenning. Na vele jaren is deze tech de hype voorbij en aanbeland op het plateau of productivity, klaar voor gebruik. Wanneer het Dingenet en KITT daar komen is nog even afwachten, voorlopig zult u nog met zelfgebrouwen koffie achter het stuur moeten.

Rage Against the Machine! Net zoals de Luddieten hierboven hakt John R. MacArthur, de uitgever van magazine Harper’s, in op vooruitgang. In een interview met The New York Times verklaart hij niks van ‘the gigantic Xerox machine’ genaamd internet te moeten hebben. Harper’s doet online geen enkel druppeltje water bij de wijn: wie het blad niet op papier maar digitaal wil lezen moet toch eerst een papieren abonnement afsluiten. MacArthurs auteurs worden “aggressively discouraged” op het web te publiceren.

“I’ve got nothing against people getting on their weblogs, on the Internet and blowing off steam, […] If they want to do that, that’s fine. But it doesn’t pass, in my opinion, for writing and journalism.” - MacArthur

Dat kwalitatieve online journalistiek niet zou kunnen bestaan is natuurlijk een onzinnige uitspraak van een neo-Luddistische snob met oogkleppen op en verklaart maar moeizaam waarom Harper’s er een blog op nahoudt, maar de verslaggever van The Times gaat erin mee en hint vervolgens naar de aantrekkelijke charme van het verzet. MacArthur claimt dat hij werkt aan een “island of economic and literary sanity” en opeens is daarna het woord aan Tyler Brûlé van Monocle die print met online magazines mag vergelijken en de classiciteit van de naam van zijn blad eer aandoet:

“It is the joy of being at an intimate, nice dinner, where the table is well set, and six or seven people are having an informed and elegant conversation, instead of being in a gym with 10,000 people yelling”

Zucht. Ik houd van print, van Monocle (een vrij innovatief merk), maar dit soort elitaire opmerkingen waarin het volledige internet wordt afgedaan als schreeuwerij, beginnen wel wat armoedig en afgezaagd te klinken.
Hij zal het misschien niet willen toegeven, maar Macarthur zal toch nog weleens moeten terugdenken aan Harper’s editor Clara Jeffery. Ze kregen ruzie over de online koers en Jeffery vertrok naar het blad Mother Jones waar ze in 2006 co-editor werd. Mede door de sterke online aanwezigheid en kwaliteitsjournalistiek steeg de oplage van het papieren blad, en in 2010 verdiende Mother Jones meer aan online reclame dan aan dodebomenadvertenties. Het blad heeft een hogere oplage dan Harper’s en bereikt inmiddels met dank aan het internet hoeveelheden lezers en adverteerders waar Macarthur op zijn zelfverkozen eiland alleen maar van kan dromen.

Rage Against the Machine! Net zoals de Luddieten hierboven hakt John R. MacArthur, de uitgever van magazine Harper’s, in op vooruitgang. In een interview met The New York Times verklaart hij niks van ‘the gigantic Xerox machine’ genaamd internet te moeten hebben. Harper’s doet online geen enkel druppeltje water bij de wijn: wie het blad niet op papier maar digitaal wil lezen moet toch eerst een papieren abonnement afsluiten. MacArthurs auteurs worden “aggressively discouraged” op het web te publiceren.

“I’ve got nothing against people getting on their weblogs, on the Internet and blowing off steam, […] If they want to do that, that’s fine. But it doesn’t pass, in my opinion, for writing and journalism.” - MacArthur

Dat kwalitatieve online journalistiek niet zou kunnen bestaan is natuurlijk een onzinnige uitspraak van een neo-Luddistische snob met oogkleppen op en verklaart maar moeizaam waarom Harper’s er een blog op nahoudt, maar de verslaggever van The Times gaat erin mee en hint vervolgens naar de aantrekkelijke charme van het verzet. MacArthur claimt dat hij werkt aan een “island of economic and literary sanity” en opeens is daarna het woord aan Tyler Brûlé van Monocle die print met online magazines mag vergelijken en de classiciteit van de naam van zijn blad eer aandoet:

“It is the joy of being at an intimate, nice dinner, where the table is well set, and six or seven people are having an informed and elegant conversation, instead of being in a gym with 10,000 people yelling”

Zucht. Ik houd van print, van Monocle (een vrij innovatief merk), maar dit soort elitaire opmerkingen waarin het volledige internet wordt afgedaan als schreeuwerij, beginnen wel wat armoedig en afgezaagd te klinken.

Hij zal het misschien niet willen toegeven, maar Macarthur zal toch nog weleens moeten terugdenken aan Harper’s editor Clara Jeffery. Ze kregen ruzie over de online koers en Jeffery vertrok naar het blad Mother Jones waar ze in 2006 co-editor werd. Mede door de sterke online aanwezigheid en kwaliteitsjournalistiek steeg de oplage van het papieren blad, en in 2010 verdiende Mother Jones meer aan online reclame dan aan dodebomenadvertenties. Het blad heeft een hogere oplage dan Harper’s en bereikt inmiddels met dank aan het internet hoeveelheden lezers en adverteerders waar Macarthur op zijn zelfverkozen eiland alleen maar van kan dromen.

image